Level 3 Level 5
Level 4

Probleemoplossen


11 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
gebruiken van eerder geleerde kennis en vaardigheden om een onbeantwoorde vraag aan te pakken.
Probleemoplossen:
1. Doel; 2. Gegevens; 3. Operaties.
Probleem bestaat uit:
Well-defined versus ill-defined.
Hoe duidelijk is het probleem?
nuttig, maar niet zo sterk wetenschappelijk onderbouwd.
Verschillende stappen: 1. Probleem herkennen, definiëren; 2. Strategieën verkennen, toepassen; 3. Monitoren en evalueren; 4. Leren (schemacontstructie). (Dit stappenplan is ->)
1. Werkgeheugencapaciteit: cognitive load van het oplossingsproces; 2. Coderen van het probleem; 3. Retrieval vanuit langetermijngeheugen; 4. Voorkennis; 5. Metacognitie.
Cognitieve factoren bij probleemoplossen:
a. Probleem-schema's: gebruikt voor classificatieprobleem; b. Mental sets: de neiging om problemen op bepaalde manier te coderen. Dus impliciete aannames, bijvoorbeeld functional fixedness.
(Cognitieve factoren bij probleemoplossen: ->) 3. Coderen van het probleem: Wat is relevant en wat niet? HOE worden onderdelen van het probleem gecodeerd? Mensen hebben:
1. Algoritme; 2. Heuristiek.
Probleemoplosstrategieën:
1a. Leidt altijd tot hetzelfde antwoord; 1b. Domeinspecifiek.
(Probleemoplosstrategieën: ->) 1. Algoritme: specifieke stap-voor-stap procedure:
2a. Hardop denken; 2b. Brainstormen; 2c. Means-ends-analysis: opbreken probleem; 2d. Achteraan beginnen; 2e. Visualiseren; 2f. Een analogie maken; 2g. Externe representatie van onderdelen maken.
(Probleemoplosstrategieën: ->) 2. Heuristiek: algemene probleemoplosstrategie (als algoritme niet kan), bijvoorbeeld:
1. Betekenisvol en diep leren van de inhoud en oplossingsstrategieën; 2. Ontdekken/Onderzoekend leren en expliciete instructie; 3. Ervaring opdoen met zelf problemen definiëren: zeker voor ill-defined problems; 4. Instructie in algemene probleemoplosvaardigheden; 5. Scaffolding, eventueel door digitale middelen; 6. Samenwerking in kleine groepen; 7. Authentieke problemen, bijvoorbeeld probleemgestuurd onderwijs/problem-based learning; 8. Het moet ook in de toetsen aan bod komen!
Transfer en probleemoplossen faciliteren in het onderwijs:
2a. Student goede zelfregulatievaardigheden heeft; 2b. Begeleiding door leerkracht plaatsvindt.
Transfer en probleemoplossen faciliteren in het onderwijs: ->) 2. Ontdekken/Onderzoekend leren en expliciete instructie. Ontdekken/Onderzoekend leren is het meest nuttig wanneer: