Level 2 Level 4
Level 3

Fiction 1


537 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
de ruzie
the quarrel, row
de winter
the winter
overkomen
to happen to, come across, seem, come by, visit [not afspelen, gebeuren, plaatsvinden, voltrekken, voorkomen, voordoen, voltrekken]
heerlijk
lovely, delicious, wonderful, magnificent
bespreken
to discuss [not (be)discussiëren]
tegelijkertijd
simultaneously, at the same time [not tegelijk, destijds, indertijd]
uitgaan
to go out, turn off, expire, break up (relationships) [not uitkomen]
slim
smart, clever, intelligent, bright
de/het blik
1) de: the look, glance 2) het: can, container, receptacle [not de kijk, de bak, de doos, de dosis]
de schouder
the shoulder
het raam
the window, frame, framework, context [not de ruit, het venster]
zwijgen
to keep silent, shut up, be silent [not verzwijgen]
de stoel
the chair, seat, place of a headquarter (of a company)
het glas
the glass (material & vessel)
knikken
to nod (affirmative head movement)
plotseling
sudden, suddenly [not ineens, opeens, plots, abrupt]
schudden
to shake, quake, tremble, waver, shuffle (cards), nod [not trillen, schokken, beven, rillen, huiveren]
verder
further, furthermore, on top of that, otherwise, for the rest [not nader, verderop]
buigen (zich)
to bend, bow [not bukken (zich)]
de meneer
the gentleman, sir, mister (Mr)
glimlachen
to smile, grin [not grijnzen, grinniken, lachen]
de trap
the stairs, staircase, ladder, degree, grade, kick
de lip
the lip
het ogenblik
the instant, moment, blink of an eye [not het tijdstip, het moment, de poos]
de middag
the midday, afternoon, noon [not de namiddag]
de keuken
the kitchen, cuisine
schrikken
to be frightened, be startled
de koffie
the coffee
de borst
the chest, thorax, breast
omhoog
aloft, upward, upwards, up, on high
de stilte
the silence, stillness, quietness
staren
to stare, gaze [not turen]
huilen
to cry, weep, howl [not snikken, janken, zeuren, brullen]
duwen
to push [not dringen, schuiven, verdringen, stoten, drijven, opdringen, uitbreiden]
voorzichtig
careful, cautious [not zorgvuldig, zorgzaam]
fluisteren
to whisper
de knie
the knee, genu
gauw
soon, quickly [not spoedig, eventjes, snel, rap, vlug, vlot]
grijs
grey, grey-colored [not grauw]
glijden
to glide, slip, slide, lapse [not glippen]
de jas
the coat, jacket [not de mantel]
schreeuwen
to shout, scream, yell, shriek [not gillen, krijsen, gieren]
werpen
to throw, cast, give birth (animals' births) [not weggooien, gooien, smijten, baren, bevallen]
de mevrouw
the ma'am, miss, Mrs, Ms, Miss [not de vrouw]
haast
almost, nearly [not bijna, vrijwel, nagenoeg, zowat]
de slaap
the sleep, sleepiness, temple
de adem
the breath
de wind
the wind (air movement), flatulence, fart
vriendelijk
friendly, kind, friendly, kindly [not bevriend, sympathiek, intiem, gezellig, aardig, heus, geschikt]
de traan
the tear, teardrop
de wang
the cheek, jowl
de buik
the belly, stomach [not de maag]
de fles
the bottle
de broek
the trousers, pants
de telefoon
the telephone
de schoen
the shoe
dringen
to push, press, insist, force entry [not duwen, schuiven, verdringen, forceren, dwingen, afdwingen, verplichten, stampen, persen, drukken, stoten, drijven, opdringen, uitbreiden]
de herinnering
the memory, reminder, souvenir [not het geheugen]
bruin
brown
kruipen
to crawl, creep
het gebaar
the gesture
de hemel
the heaven, sky, heavens [not de lucht]
de steen
the stone, small rock [not de rots]
de vloer
the floor, ground, surface [not de grond, het terrein, de aarde, de bodem]
het lijf
the body, corsage [not het lichaam, de instantie]
rennen
to run, move fast, run, flow, stream [not hollen, lopen, gaan]
de lach
the laugh, smile [not de glimlach, de grijns]
de sigaret
the cigarette
de huid
the skin
verbergen
to hide, cover [not verstoppen. verschuilen (zich), schuilen]
de toon
the tone, sound, note, accent, key [not het geluid, de klank]
de geur
the smell, scent, odour, odor
de tand
the tooth
aarzelen
to hesitate, flinch
kleden
to dress, suit someone (esp. a piece of clothing) [not aankleden]
de aarde
the earth, soil, ground [not de aard, de bodem, de vloer, de grond, het terrein]
de geest
the mind, spirit, mental conscience, ghost, essence, distillate
branden
to burn, be lit [not verbranden]
de glimlach
the smile [not de lach, de grijns]
overeind
up, standing [not op]
smal
narrow [not eng, nauw, krap, klein, nauwelijks, nauwkeurig]
het brood
the bread
zodra
once, as ever, as soon as [not opnieuw, eens]
schenken
to donate, give as a present, gift, pour from a bottle
vrolijk
cheerful, merry [not opgewekt]
de kast
the cupboard, closet, cabinet
mompelen
to mumble, mutter [not mopperen]
de nek
the neck [not de hals, de keel]
de keel
the throat [not de hals, de nek]
zuchten
to sigh, to lament [not beklagen, klagen, betreuren, spijten]
trillen
to tremble, shake, vibrate, oscillate [not schudden, schokken]
voortdurend
continuous, incessant, continuously, incessantly, all the time [not continu, constant, almaar]
het voorhoofd
the forehead
roken
to smoke
dansen
to dance
bloot
bare, naked, nude, unprotected, uncovered [not naakt, kaal, blank]
de spiegel
the mirror, stern of a ship, level (of liquids)
houten
wooden, made of wood
het vuur
the fire, heater, lighter [not de brand]
zwaaien
to wave, sway, brandish [not wuiven]
opzij
aside, to the side [not terzijde]
de verte
the distance [not de afstand]
de hals
the throat, neck [not de keel, de nek]
dun
thin, slender, sparse, runny (liquid) [not mager, slank]
de tas
1) the bag, pouch 2) in B: the cup, mug [not de zak]
het spoor
the trace, spoor, lead, trail, clue, the (railway) track
het gezelschap
the company, business, club, society, association, companionship [not de maatschappij, de samenleving, de onderneming, de handel, het concern, de firma, het bedrijf, de zaak, de vereniging, het verbond, de club]
het geloof
the faith, belief, conviction, religion
de klap
the bang, blow, hit, strike [not de slag]
de rookworst
the smoked sausage
binnenkomen
to come inside, enter [not betreden, ingaan]
leunen
to lean
de vogel
the bird, fowl
het café
the cafe, coffee shop, coffee (drink), café, bar
ophouden
to stop, finish, end, cease, hold up, hinder, uphold, keep up [not stoppen, aanhouden, hinderen, verhinderen, beletten]
verschrikkelijk
awful, terrible, terribly, extremely [not vreselijk, uitermate, uiterst, waanzinnig, extreem, buitengewoon, enorm, keihard]
de schaduw
the shadow, shade
luid
loud [not hardop, keihard, hard, luidruchtig]
het verlangen
the desire, longing, craving
de tong
the tongue
de wagen
the car, van, cart, wagon, carriage [not de auto]
de wijn
the wine (the drink)
verbaasd
astonished, surprised
wassen
to wash, clean [not spoelen]
de drukte
the commotion, busyness, upheaval, zest [not de druk]
het vlees
the meat, flesh
de zuster
the sister, nurse, nun [not de zus, de verpleegster, de non]
tikken
to tick, tap, type (on a keyboard)
strak
tight, tense [not krap, nauw, gespannen]
opstaan
to get up (esp. out of bed), stand up, be on, be cooking [not opwekken]
traag
slow [not langzaam]
vaag
vague, hazy, odd, weird [not vreemd, raar, wonderlijk, merkwaardig, bizar]
snijden
to cut, cut off, chop [not knippen, kappen, hakken]
blond
blond, of light colour
het gordijn
the curtain
vegen
to sweep, brush, wipe
dromen
to dream
terugkomen
to return, come back [not terugbrengen, terugkeren, teruggaan]
rollen
to roll
de grap
the joke
knijpen
to pinch, squeeze [not pikken]
het afscheid
the farewell, the goodbye
dronken
drunk, drunken
de wolk
the cloud
de slaapkamer
the bedroom
wrijven
to rub
de jurk
the dress (NL only, in B: het kleedje) [not de japon, het kostuum]
de tante
the aunt, auntie
uitzien
to look, seem, appear [not eruitzien]
het gras
the grass
dichtbij
close by, nearby [not vlakbij, nabij, bij, dicht, nauw, krap]
het paard
the horse, knight (in chess)
de stapel
the pile, load, stack, heap
nat
wet, soggy
het verdriet
the sadness, grief, chagrin
de doos
the box, case, container [not de kist, het blik, de bak, de box, de kassa, de dosis]
kennelijk
apparent, obvious, apparently [not blijkbaar, duidelijk, vanzelfsprekend, evident]
naderen
to approach [not benaderen]
de ziel
the soul
de berg
the mountain, hill
stoten
to bump, knock, push, shock [not duwen, drijven, opdringen, schuiven, verdringen, uitbreiden, dringen]
de kerel
the guy, lad, fellow, bloke
heffen
to raise, lift, heave, levy (esp. taxes) [not hijsen, opvoeden, tillen, lichten, opheffen, oprichten]
ruiken
to smell, sniff (perceive or transmit an odor)
wekken
to wake up, wake, to cause (esp. emotions) [not ontwaken, opstaan]
de spijt
the regret
de thee
the tea
het bier
the beer
strelen
to caress, stroke, pet [not strijken]
bezitten
to possess, own
de zucht
1) the sigh 2) longing, desire, pathological craving
de morgen
1) the morning 2) adverb: tomorrow [not de ochtend, de voormiddag]
aankijken
to look at, look in the eye [not ogen, kijken, bekijken, toekijken]
enigszins
somewhat, to some degree, rather, slightly, at all [not ietwat]
helder
clear, bright, transparent, lucid, obvious [not duidelijk]
de oom
the uncle [not de onkel]
glanzen
to shine, gleam, glimmer [not schijnen, glimmen, blinken, stralen, prijken, schitteren]
verliefd
in love
de woede
the rage, anger, wrath, outrage
de poot
the paw, limb, leg, foot, hand
de verbazing
the amazement
het stel
the set, collection, group, couple, pair [not de set, de groep(ering), het (echt)paar, het concern, het koppel]
volkomen
complete, completely [not helemaal, alleszins, heel, totaal, compleet, totaal, vol- op/ledig/maakt/doende/waardig/wassen/uit/strekt]
verlangen
to long for, desire, yearn, expect, ask
het kussen
the pillow, cushion
onverwacht
unexpected, unexpectedly
duiken
to dive
tillen
to lift, raise, scam, con [not lichten, opheffen, heffen, oprichten]
mager
lean, thin, meager, poor, pitiful, skim [not dun, arm, beroerd, slank]
waarschuwen
to warn, let someone know, notify
de vent
the fellow, chap
de overkant
the other side, opposite side, far side [not de buitenkant]
de wenkbrauw
the eyebrow
strekken
to straighten, stretch, suffice, last [not volstaan, voldoen]
het spul
the stuff, things, junk [not de rommel, de rotzooi, de troep]
vertrouwd
1) familiar 2) trustworthy, reliable [not degelijk, betrouwbaar]
de wand
the wall, mountain face [not de muur]
het zweet
the sweat
thuiskomen
to come home
plastic
plastic, made of or relating to plastics
opwinden (zich)
to get excited, excite, wind (e.g. a clock)
barsten
to crack, burst, split, break [not knappen, kraken, splitsen]
de spraak
the speech [not de toespraak, de rede]
de bril
the glasses, spectacles, toilet seat
de sleutel
the key, wrench [not de toets]
de kin
the chin
het hout
the wood (material), piece of wood [not het bos]
de honger
the hunger
rusten
to have a rest, relax, rest [not ontspannen]
de schat
the treasure, honey, darling [not de waarde, de vondst]
het wonder
the miracle, mystery
weggaan
to go away, depart, leave [not vertrekken, opstappen, verlaten, overlaten]
de teen
the toe, twig, thin branch, clove (of garlic)
verrassen
to surprise, amaze, awe [not verbazen, verwonderen]
allang
a long time ago, for a long time already
stralen
to shine, radiate [not schijnen, glanzen, glimmen, blinken, prijken, schitteren]
koel
cool, cold, chilly [not cool, leuk]
wenden (zich)
to turn (about), direct oneself, come about [not draaien, omdraaien, keren, omkeren]
de klok
the clock, bell, timepiece, wrist watch [not het uur, het horloge]
de koffer
the suitcase
de lamp
the lamp
de hoed
the hat
dwars
diagonal, askew, in a crosswise direction, transverse, at right angles [not schuin, scheef, krom, dwaas]
de deken
the blanket, any covering layer [not het tapijt, de mat, de laag]
de voordeur
the front door
achterlaten
to leave behind, abandon [not achterblijven]
blind
blind (unable to see)
het lijk
the corpse, dead body
optrekken
1) to accelerate, pull up 2) to put up, build, rise up [not versnellen]
kalm
calm, tranquil, composed, cool-headed [not gerust, rustig, stil, doodstil, stom]
zorgvuldig
careful, meticulous [not voorzichtig, zorgzaam]
vervolgen
1) to continue, carry on 2) to prosecute, sue, pursue [not doorgaan, voortzetten]
terugkeren
to return, recur [not terugkomen, teruggaan, terugbrengen]
het vel
the skin, hide, fur, pelt, sheet (of paper) [not het laken]
rukken
to snatch, tear, jerk, jiggle, pull, tug [not scheuren]
kussen
to kiss, give a kiss [not zoenen]
de gulden
the guilder, florin ƒ (former currency in NL)
de verdieping
the storey, floor, deepening
heilig
holy, sacred
het zand
the sand
de warmte
the heat, warmth [not de hitte]
schuin
slanted, slanting, obscene, oblique, diagonally [dwars, dwaas, scheef, krom]
slepen
to drag, tow, slide [not sleuren, trekken]
schilderen
to paint [not verven]
de vuist
the fist
vouwen
to fold
de tak
the branch
het laken
the bed sheet, woolen fabric [not het vel]
de rok
the skirt
ontsnappen
to escape [not ontgaan, ontkomen]
nieuwsgierig
curious, inquisitive [not benieuwd, merkwaardig]
hijgen
to gasp for breath, pant
vuil
dirty, filthy, obscene, lewd, dishonorable, illegal, improper [not smerig, vies]
de hal
the hall, hallway [not de zaal]
de bar
the bar, counter, pub [not de lat]
de gewoonte
the habit, custom, wont
naakt
naked, nude, bald, bare, stripped [not bloot, kaal, blank]
hevig
violent, intense [not heftig, gewelddadig, intensief, intens]
keurig
proper, decorous, neat [not net, netjes, proper]
roze
pink
stinken
to stink, reek
haastig
hasty, rash, impetuous
het mes
the knife, chive, blade, cleaver
liegen
to tell a lie, lie, fib, prevaricate [not lig...]
kraken
to crunch, crack, make open, break up into, solve a code [not barsten, knappen]
eeuwig
eternal, forever [not oneindig, permanent, eindeloos, voorgoed, urenlang]
tevoren
before, beforehand, previously [not daarvoor, alvorens, eer(der), voor/-dien/-dat/-af/-heen/-aleer]
het gemak
the comfort, ease, convenience [not de troost]
reiken
to reach, extend out, stretch [not bereiken, geraken, uitstrekken, halen]
schamen (zich)
to be ashamed
wijd
wide, far [not breed]
kaal
bald, bare, smooth, bland, plain [not blank, wit, eenvoudig, nuchter, naakt, bloot, vlot, glad, gaaf]
het lot
the fate, destiny, lottery ticket
glimmen
to glow, shine, shimmer [not schijnen, glanzen, stralen, blinken, prijken, schitteren, gloeien]
knippen
to cut (esp. with scissors), blink [not snijden, kappen, hakken]
eenzaam
lonely, lonesome
onderbreken
to interrupt, disrupt, butt in
bedekken
to cover [not dekken, beslaan]
de slok
the sip, gulp
de/het vlek
1) de: the stain, spot, speck 2) het: the hamlet
scheuren
to tear, rend [not rukken]
wijs
wise (East Flanders: nice, fun), wisely [not verstandig]
achterover
backwards, on one's back [not achteruit, terug, achterlijk, achterop]
merkwaardig
curious, odd, strange, bizarre, remarkable, notable [not nieuwsgierig, benieuwd, wonderlijk, vreemd, raar, bizar]
het horloge
the wrist watch, watch [not het uur, de klok]
ongetwijfeld
undoubtedly, surely [not zeker, vast]
gillen
to scream, yell [not schreeuwen, krijsen, gieren]
de plank
the plank, board, shelf [not het bord, de tafel]
verlegen
shy, bashful, timid, coy
de mouw
the sleeve
de steek
the stitch, twinge, prick, stab, thrust, knot
de golf
the wave, swell, breaker, gulf, sea
het plafond
the ceiling
het touw
the rope
stromen
to flow, stream [not vloeien]
nerveus
nervous, anxious, jumpy [not zenuwachtig, angstig, gejaagd]
de schoonheid
the beauty, beautiful person
de maag
the stomach, gut [not de buik]
stijf
stiff, rigid, formalistic, posh
het kruis
the cross, X-shape, crotch [not de kruising, het kruispunt, de overstap]
de staart
the tail
de duim
the thumb
strijken
to brush, stroke, iron (clothes), lower (sails) [not strelen]
ademen
to breathe
voorover
face forward, headlong [not voorop]
ergeren (zich)
to annoy, irritate [not prikkelen, irriteren]
de uitdrukking
the expression [not de uiting]
rechtop
upright, erect
de bil
the buttock
gespannen
tense, taut [not strak, krap, nauw]
de nagel
the nail (anatomy and metal pin)
hardop
aloud, out loud [not luid, hard, keihard, luidruchtig]
de rivier
the river, stream [not de stroom, de beek, de stroming, de straal]
de dij
the thigh, femur
bewonderen
to admire
woedend
furious, angry [not razend]
de wijsvinger
the index finger, forefinger
de stok
the stick, piece of wood, cane
eindeloos
endless, infinite [not urenlang, oneindig, permanent, voorgoed, eeuwig]
smeken
to beg, implore, urge
evenmin
neither [not noch]
doorbrengen
to spend (time, etc) [not besteden, uitgeven]
tasten
to grope, feel with the hands
zweven
to float, glide [not drijven]
dadelijk
immediately, at once [not meteen, direct, prompt, onmiddellijk]
de ellende
the misery
achteruit
backwards, in reverse [not achterover, terug, achterlijk, achterop]
de knoop
the button, knot [not de knop]
de poos
the (short) time period, a while, undefined period of time [not kort, het tijdstip, het moment, het ogenblik]
klemmen
to clamp, squeeze, stick, jam [not kleven]
het uitzicht
the view, outlook [not het zicht, de opvatting]
de ruit
1) the window, glass panel 2) the rhombus, ♦, diamond shape [not het raam, het venster]
de kist
the case, chest, box, coffin, casket, aeroplane [not de box, de kassa, de doos, de bak, het toestel, het vliegtuig]
bezorgd
worried, preoccupied, concerned [not ongerust, angstig]
opgewekt
cheerful [not vrolijk]
achteren
back (place, direction) [not terug]
de badkamer
the bathroom
vloeken
to swear, curse, damn [not zweren, bezweren]
dankbaar
thankful, grateful
de hap
the bite, chunk
halverwege
halfway through
de jongeman
the young man [not de jongen, de knaap]
schokken
1) to shake, shiver 2) to shock, disturb, startle [not trillen, schudden, beven, rillen, huiveren]
omlaag
down, downwards [not beneden, neer]
het hek
the fence, stern
het genoegen
the pleasure, satisfaction [not het plezier, het genot]
wanhopig
desperate, hopeless [not hopeloos, ongelukkig]
verwonderen
to surprise, amaze [not verrassen, verbazen]
betrappen
to catch unaware, take by surprise [not vangen, pakken, vatten, haken, grijpen, nemen, inslaan, opvatten, opvangen]
het stuur
the steering wheel, handlebars
ijzeren
iron, made of or related to iron [not het ijzer]
voorgoed
permanently, for good [not permanent, urenlang, eindeloos, oneindig, eeuwig, constant]
de druppel
the drop, dribble [not de daling]
haten
to hate
aanraken
to touch [not raken]
de gestalte
the shape, figure, appearance, stature [not de/het figuur, het cijfer]
de chauffeur
the driver, chauffeur [not de rijder]
plakken
to paste, stick, glue
de heuvel
the hill
zoet
sweet
verlichten
to lighten, light, illuminate [not aansteken, opsteken]
ouderwets
old-fashioned
de schok
the shock
tegemoet
towards, heading for [not naar, toe, jegens]
de hersenen
the brain [not het brein]
het medelijden
the pity, compassion, sympathy [not de sympathie, de zonde]
bevrijden
to free, liberate [not verlossen, loslaten, losmaken, vrijlaten, vrijmaken, vrijkomen]
somber
gloomy, somber
zuigen
to suck, vacuum, hoover
het ontbijt
the breakfast
de woonkamer
the living room [not de huiskamer]
grijnzen
to grin [not grinniken, glimlachen, lachen]
waaien
to blow (wind), be windy [not wapperen, blazen, opblazen, stormen]
de juffrouw
1) the lady, young woman 2) the female teacher [not de juf, de dame]
doordringen
to penetrate
de kreet
the cry (shout) [not de roep, de oproep]
heftig
violent, passionate, impetuous, impulsive [not hevig, gewelddadig]
de maan
the moon
bukken (zich)
to bend, duck, bend down [not buigen (zich)]
slap
weak, slack [not zwak, flauw]
kwalijk
evil, bad, undesirable, difficult [not slecht, gemeen, het k...]
logeren
to stay, lodge, reside, visit, sleepover [not (ver-/achter-/over-/) blijven, resteren, onderbrengen]
angstig
anxious, fearful [not ongerust, bezorgd]
de sneeuw
the snow, noise (on a display screen), cocaine (slang)
omdraaien
to turn around, reverse [not omkeren, draaien, wenden, keren]
de stoep
the pavement, stoop, platform
bezorgen
to give, deliver, hand over, provide, care for [not leveren, afleveren, (af-/mee-/)geven]
onzeker
uncertain, insecure
de pijp
1) the pipe 2) the tube [not de buis, de slang, de metro]
glad
smooth, polished, slippery [not soepel, vlot, kaal, gaaf]
de kus
the kiss
koesteren
to cherish, entertain [not vermaken, boeien, amuseren]
spreiden
to spread [not verspreiden, smeren]
vatten
to catch, grasp, understand, apprehend [not pakken, vangen, betrappen, haken, grijpen, nemen, inslaan, opvatten, opvangen]
de ontmoeting
the encounter, meeting, gathering [not de bijeenkomst, de vergadering, de afspraak]
moeizaam
laborious, with difficulty
de koe
the cow
het besef
the understanding, awareness, notion, realization, consciousness [not het begrip, het bewustzijn]
het ijs
the ice, frozen water, ice cream [not het ijsje]
de maaltijd
the meal [not het maal, de lunch]
het geheugen
the memory, computer memory [not de herinnering]
begeven
to break down, collapse, give way, move towards [not afbreken, sneuvelen]
de klank
the sound [not het geluid, de toon, de stem]
de knop
the button, knob, bud (on plants) [not de knoop]
ontspannen
to relax [not rusten]
hol
hollow, having an empty space inside
opgelucht
relieved
hollen
1) to run (fast), run away, flee, rage 2) to make hollow, empty, erode [not rennen, lopen, verweren]
de grootvader
the grandfather [not de opa]
de opwinding
the excitement, agitation, trepidation
verdomme
damn! dammit! f*ck! [not verdorie!]
scheef
crooked, awry, not level, not straight, weird [not krom, dwaas, dwars, schuin]
verontschuldigen
to excuse, forgive, apologize
gewoonlijk
usually, normally [not doorgaans, nuttig, bruikbaar, meestal, normal]
verraden
to betray, give away, spoil (secrets)
zenuwachtig
nervous, jumpy [not nerveus, angstig, gejaagd]
de heup
the hip, coxa
ernaar
to it, towards it [not daartoe, erna]
onzichtbaar
invisible
bekennen
to confess, admit, acknowledge
de hitte
the heat [not de warmte]
de moeilijkheid
the difficulty [not de moeite]
de zakdoek
the handkerchief, tissue
vanmiddag
this afternoon, this noon
fluiten
to whistle
het hemd
the shirt, vest, undershirt
spoedig
soon, imminent, speedy, shortly [not eventjes, snel, rap, gauw]
aandachtig
attentive, attentively, paying attention [not attent]
alsjeblieft
please! here you are! (informal with "je") [not alstublieft]
peinzen
to ponder, meditate, think, contemplate
de diepte
the depth
sluipen
to sneak, move stealthily
spotten
to joke, mock, deride
kreunen
to groan, moan
grinniken
to chuckle, grin [not grijnzen, glimlachen, lachen]
troosten
to comfort, console, solace
het overhemd
the shirt [not het shirt]
de vaart
the speed, momentum, trip (by boat), canal, shipping [not de snelheid]
de fan
the fan, admirer
de wond
the wound, injury [not de blessure]
de duisternis
the darkness [not het duister]
de kou
the cold (temperature or health condition)
roerloos
motionless
de afloop
the ending, result, termination, end [not het eind]
de lui
the people, folk, men [not het volk, de mensen]
de hoorn
the horn (of animals), receiver (of phones)
de vriendschap
the friendship
de haak
the hook, bracket (text symbol)
parkeren
to park (esp. vehicles), position
de/het portier
1) de: the doorkeeper, gatekeeper 2) het: the door of a car [not de deur]
de taxi
the taxi
beven
to shiver, tremble, shake [not rillen, huiveren, schokken, schudden]
de vreugde
the joy, merriment
het uniform
the uniform
de pols
the wrist, pulse
de rechterhand
the right hand, trustworthy subordinate, wingman [not het recht, het gelijk]
de struik
the bush, shrub
de eenzaamheid
the loneliness, solitude
de ruk
the jerk, pull, push [not de duw, de slag, uitbreiden]
de pan
the pan, pot
het graf
the tomb, grave, sepulchre
vannacht
tonight, this night, last night [not vanavond, gisteravond]
dol
crazy, silly, mad, mindless, reckless, out of control [not zot, gek]
opsteken
to light up, set sth. on fire, learn, raise an object [not aansteken, verlichten]
de emotie
the emotion
slingeren
to swing, sway, swerve, fling, roll (ships) [not schommelen]
hartelijk
warm, cordial, hearty, hospitable; heartily, warmly [not warm, heet]
klappen
to clap, applaud, smack, strike, crack, fold, hinge
de laars
the boot
de elleboog
the elbow, cubitus
de vlam
the flame [not de flits, het Vlaams]
gemeen
mean, hurtful, bad (of character), intense, in common [not slecht, kwalijk, gemeenschappelijk, gemeentelijk, algemeen]
sissen
to hiss, sizzle
de verwarring
the confusion, bewilderment
zojuist
just, just now, just a moment ago [not eenmaal, net, gelijk, even, zomaar, daarnet, juist]
vanmorgen
this morning [not vanochtend]
de pet
the cap (headwear) [not de muts]
het praatje
the talk, chat, small-talk
zwellen
to swell
ongeduldig
impatient [not ongerust]
turen
to stare, gaze at [not staren]
het geslacht
the sex, gender, generation [not de seks]
zoenen
to kiss [not kussen]
de boterham
the sandwich, slice of bread
doch
yet, but, still, on the contrary, no, yes, but rather [not maar, toch, alsnog]
blozen
to blush, flush
bidden
to pray, bid [not bieden]
wonderlijk
wonderful, amazing, queer, odd [not prachtig, schitterend, geweldig, fantastisch, prima, merkwaardig, vreemd, raar, krom, scheef, dwaas, bizar]
de lift
the lift, elevator, free ride
betreden
to enter, come in, tread upon [not binnenkomen, ingaan]
drogen
to dry
teleurstellen
to disappoint [not tegenvallen]
arriveren
to arrive [not aankomen]
zilveren
silver, silver, made of silver [not het z...]
scheren
to shave (esp. beards), shear (esp. animals)
brullen
to roar, cry (of a baby) [not huilen, janken, uitroepen, ropen]
vochtig
moist, humid
opkijken
to look up/upward, lift one's eyes
dwalen
to wander, stray [not zwerven]
gloeien
to glow [not glimmen]
smijten
to throw, fling, hurl [not gooien, weggooien, werpen, dumpen]
bescheiden
modest, humble, unassuming
weglopen
to run away, walk away [not (rond)l...]
de roos
the rose, bullseye
bemoeien (zich)
to interfere, meddle (with)
de schoot
the lap, upper leg
zeuren
to whine, nag, complain [not janken, huilen, snikken]
snuiven
to sniff, inhale
overvallen
1) to raid 2) to take by surprise [not beroven, aanvallen, inhalen, overnemen, passeren, inhalen]
langzamerhand
gradually, bit by bit, by now, by this time, by this point [not stilaan]
de schedel
the skull
de deuropening
the doorway, door opening [not de deur]
wuiven
to wave, beckon [not zwaaien]
onderdrukken
to suppress, oppress [not bedwingen]
likken
to lick [not lekken]
afwezig
absent, absent-minded
de krul
the curl (hair, writing), scroll (violin)
giechelen
to giggle
dekken
to cover, set (the table) [not bedekken, beslaan]
de kont
the bottom, but, bum, arse, vulgar: cunt [not de bodem]
de verbeelding
the imagination
versleten
worn out, trite
de grootmoeder
the grandmother [not de oma]
ontroeren
to move, cause to become emotional [not bewegen, verplaatsen, verzetten, verschuiven]
amuseren
to amuse, have fun [not vermaken, boeien, koesteren]
de bek
the beak (of birds), animal's mouth
de schaamte
the shame, feeling of shame [not de schande]
het portret
the portrait
de aardappel
the potato
de plas
the puddle, pool
ruw
rough, crude [not ruig, globaal, pakweg]
spoelen
to wash (over), sluice, rinse, flush [not wassen]
de hel
the hell, any terrible place
haasten
to hasten, hurry, make haste [not opschieten]
lichten
to lift up, raise, empty out [not tillen, opheffen, heffen, oprichten]
de begrafenis
the funeral, burial
de engel
the angel