Level 6 Level 8
Level 7

verba


302 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
zijn
sum
pf. sum: zijn
fui
kunnen
possum
pf. possum: kunnen
potui
1. maken 2. doen
facio
1. zeggen, spreken 2. noemen
dico
geven
do
hebben, houden
habeo
zien
video
brengen, dragen
fero
pf. fero: brengen, dragen
tuli
ppp. fero: brengen, dragen
latus
willen
volo
1. doen, handelen 2. drijven
ago
komen
venio
bevelen
iubeo
ontvangen
accipio
gaan naar; aanvallen; vragen
peto
sturen
mitto
geloven, vertrouwen
credo
volgen
sequor
zoeken; vragen
quaero
moeten; verschuldigd zijn
debeo
zeggen
inquio
overwinnen
vinco
gebeuren, worden
fio
zetten, leggen, plaatsen
pono
gaan
eo
pakken, nemen
capio
weten, kennen
scio
menen; houden voor
puto
houden
teneo
leven
vivo
(achter)laten, (ver)laten
relinquo
horen, luisteren
audio
terugbrengen; berichten
refero
leiden; trekken; houden voor
duco
roepen, noemen
voco
vrezen, bang zijn (voor)
timeo
verdragen, toelaten
patior
mag, het is geoorloofd
licet
bewegen, ontroeren
moveo
staan
sto
dragen; doen
gero
overhandigen, overgeven
trado
(ont)vluchten
fugio
beginnen
coepi
klaarmaken
paro
trekken
traho
gebruiken
utor
1. bijeenbrengen 2. dwingen
cogo
gewoon zijn, gewoonlijk
soleo
terugpakken
recipio
vinden
invenio
vallen
cado
leren kennen (perf.) kennen
cognosco
bereiken, aankomen
pervenio
1. bevallen 2. (placet + dat.) besluit
placeo
geboren worden, ontstaan
nascor
sterven
morior
durven
audeo
voelen, merken
sentio
tonen, laten zien
ostendo
tot voordeel zijn
prosum
(om)draaien
verto
ontkennen
nego
spreken, zeggen
loquor
(onder)drukken
premo
liggen
iaceo
te gronde gaan
pereo
veranderen, (ver)wisselen
muto
oversteken, overgaan
transeo
redden, bewaren
servo
begrijpen
intelligo
1. aanwezig zijn 2. (+ dat.) helpen
assum, adsum
1. geven 2. overtreffen
praesto
tillen, heffen
tollo
teruggaan
redeo
uitnemen, oppakken
excipio
gaan; wijken
cedo
(be)denken
cogito
afwachten, wachten op
exspecto
oordelen, menen
iudico
wegrukken
eripio
(be)antwoorden
respondeo
bebouwen, verzorgen, vereren
colo
grijpen, roven
rapio
zeggen
aio
menen, schatten, oordelen
existimo
niet willen
nolo
losmaken, betalen
solvo
afwezig zijn, in de steek laten
desum
prijzen
laudo
innemen, bezetten
occupo
wegsturen, verliezen
amitto
leren, onderrichten
doceo
leren kennen
nosco
het gebeurt
contigit
(op)stellen, besluiten
constituo
naderen, gaan naar
accedo
wensen, willen, verlangen
cupio
(uit)oefenen, in beweging houden
exerceo
benadelen, schaden
noceo
verwoesten, verliezen
perdo
roepen, noemen
appello
twijfelen, aarzelen
dubito
sluiten
claudo
helpen iuvat me: ik vind het fijn
iuvo
liever willen
malo
opgaan, ontstaan, beginnen
orior
afhouden (van), verhinderen
prohibeo
bedekken, beschermen
tego
breken
frango
dwalen, zwerven, zich vergissen
erro
verzamelen, lezen, kiezen
lego
bang zijn, vrezen metuo ne
metuo
klagen
queror
(ver)delen
divido
weggaan, verlaten
exeo
verachten minachten
contemno
niet weten
nescio
vasthouden
retineo
gaan naar
adeo
ophouden
desino
blij zijn, zich verheugen
gaudeo
vergroten
augeo
liggen tussen, verschillen deelnemen aan interest: het is van belang
intersum
zien
aspicio
laten gaan, toestaan
permitto
bijeen brengen, vergelijken
confero
mengen, verwarren
misceo
verdedigen
defendo
bewonderen, verwonderen
miror
sparen
parco
weggaan, toestaan
concedo
samenkomen, passen
convenio
gezond zijn, waard zijn
valeo
bedriegen, nalaten
fallo
komen bij, zich tonen
occurro
(op)stellen, besluiten
statuo
vragen
rogo
verlaten, achterlaten
desero
vechten, strijden
pugno
doden, te gronde richten
occido
samenbrengen, begaan, overlaten
committo
overleggen, raadplegen, zorgen
consulo
het is nodig
necesse
wegbrengen
aufere
gaan onder, ondergaan, naderen
subeo
opjagen, overwegen
agito
(be)sturen, leiden
rego
vaststaan
consto
neervallen, gebeuren
accido
aanbieden, geven, tonen
praebeo
voortgaan, verder gaan
procedo
het behoort
oportet
slaan, verjagen, treffen
pello
hopen, verwachten
spero
openstaan, blijken, zich uitstrekken
pateo
voortbrengen, verwekken
gigno
brengen naar, aandoen
infero
over zijn, in overvloed zijn (+ dat.) helpen
supersum
besluiten (tot)
decerno
zingen, prijzen, bespelen
cano
weggaan
abeo
huilen (om)
fleo
eisen, vragen
posco
vinden, ontdekken, bedenken
reperio
proberen, beproeven, ervaren
experior
teruggaan naar; weer vragen
repeto
draaien, martelen
torqueo
afnemen, ontbreken, afvallen
deficio
(ver)gieten, verdrijven
fundo
(bijeen)houden
contineo
weggaan, uiteengaan
discedo
geven, schenken
dono
gooien, zwaaien, bezig zijn
iacto
vertrekken
proficiscor
hooghouden, uithouden
sustineo
stichten, opbergen
condo
wegleiden, omlaag leiden
deduco
groeien
cresco
wegsturen, los laten
dimitto
kwaad worden, kwaad zijn
irascor
zich uitstrekken, betreffen
pertineo
(zich) haasten
propero
beloven, haren laten groeien
promitto
vellen, doden
caedo
(zich) ophouden, dralen
moror
beschermen, bewaren, bekijken
tueor
(goed)keuren, bewijzen
probo
veroordelen, afkeuren
damno
vastzitten, plakken
haereo
verbindenf
iungo
spannen, snellen, streven naar
tendo
eten, verteren
edo
(ver)vullen, volmaken
impleo
loslaten, opgeven, overslaan
omitto
wegbrengen, berichten
defero
waarschuwen, aansporen
moneo
menen
reor
(ver)voeren, reizen
veho
missen, niet hebben
careo
binnengaan, binnendringen
intro
bidden, smeken
precor
breken
rumpo
aanbieden, tonen, veroorzaken
offero
zitten
sedeo
bang maken, verschrikken
terreo
over zijn, overtreffen
supero
plaatsen tegenover, voorwerpen, verwijten
obicio
verschijnen, duidelijk zijn
appareo
slaan, aandrijven
impello
menen, schatten
aestimo
bekennen, tonen
fateor
zich herinneren
memini
(uit)strooien, besproeien
spargo
brengen naar, richten op
admoveo
(gaan) staan
consisto
(uit)kiezen
deligo
(ver)zorgen, regelen
curo
spreken, vragen, bidden
oro
(aan)raken
tango
buiten, wijzigen
flecto
brengen (naar), spannen
adduco
(zich) storten (in), instorten
ruo
hangen
pendeo
plaatsen, zetten
colloco
berichten
nuntio
omkijken (naar), overwegen
respicio
verlangen, missen
desidero
zich inspannen, twisten, beweren
contendo
terugsturen, laten gaan
remitto
(om)draaien, veranderen
converto
uitgieten
effundo
afschudden, uitwerpen, onderzoeken
excutio
vallen op, overvallen, gebeuren
incido
terugkeren
revertor
opstaan
surgo
glijden, uitglijden, wegglijden
labor
rennen, snel (ver)lopen
curro
vrij zijn van/voor
vaco
verbieden
veto
vermelden, spreken, bezingen
memoro
overbrengen, verdragen, voltooien
perfero
afmaken, voltooien
conficio
verpesten, bederven
corrumpo
wegtrekken
detraho
staan op, achtervolgen
insto
bekijken, zien, beschouwen
intueor
verborgen zijn, onbekend zijn
lateo
openen, tonen
aperio
zien, inzien, beslissen
cerno
dragen (uit), verheffen
effero
(uit)doven, vernietigen
exstinguo
(onder)drukken, overvallen
opprimo
zich vergissen, fouten maken
pecco
bevestigen, (door)boren in
figo
terugroepen
revoco
(af)dalen, naar beneden gaan
descendo
maken, vormen, verzinnen
fingo
binnengaan, beginnen
ineo
(op)voeden, zorgen voor
alo
verspreiden, uitstellen, verschillen
differo
aansporen
hortor
toestaan, (binnen)laten
admitto
verzamelen
colligo
vrezen, bezorgd zijn, vereren
vereor
ontwijken, ontkomen aan
vito
waarschuwen, aansporen
admoneo
menen, schatten, besluiten
censeo
volgen, bereiken
consequor
gehoorzamen
pareo
teruggaan, weggaan
recedo
overbrengen, overdragen
transfero
verdelen, opstellen, bepalen
dispono
binnengaan, beginnen, aanvallen
ingredior
tellen
numero
hinderen
obsto
brengen (naar)
perduco
toelaten, toestaan
sino
branden
ardeo
(ont)vluchten, ontsnappen
effugio
opjagen, aanvuren
excito
stoppen, zich verzetten
resisto
passen, behoren
decet
treuren, (pijn) lijden
doleo
weggaan
egredior
het behaagt libet mihi: ik wil
libet
vergeten
obliviscor
(hard) werken, lijden
laboro
in verwarring zijn, verstoren
turbo
in de smaak vallen, bevallen
delecto
binnengaan, overvallen
invado
bezetten, beheersten
obsideo
beschadigen, kwetsen
laedo
haten
odi
aanraden, overtuigen
suadeo
vooraf nemen, opdragen
praecipio
geluid geven
sono
(ver)branden, drogen, kwellen
uro
(her)kennen, inzien
agnosco