Level 3 Level 5
Level 4

✰ Basic Words 401-580


180 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
de concurrentie
the competition
de invloed
the influence, effect, impact [not het effect, de effectiviteit, het neveneffect, de impact]
de kennis
the knowledge, understanding; acquaintance, person one knows slightly
de literatuur
the literature
de marge
the margin [not de kantlijn]
de medewerking
the cooperation
de melding
the report(ing), mention(ing)
de onderzoeker
the researcher
de oorzaak
the cause, origin, reason
de opgave
the task, statement, question [not de opdracht, de vraagstelling]
de opleiding
the training, education [not het onderwijs]
de opname
the absorption, recording
de piek
the peak
de positie
the position [not de positionering, de stellingname]
de proef
the test, trial [not de test]
de promotie
the defence of the PhD thesis, promotion
de reeks
the series
de relatie
the relationship, relation
de richtlijn
the guideline
de serie
the series, serial
de strategie
the strategy
de term
the term
de trend
the trend, tendency, fashion, mode
de vaardigheid
the skill
de verbinding
the compound, connection
de verdeling
the division, dividing, distributing
de wetenschapper
the scientist
de wijze
the way, manner, wise man
definitief
definitive, final, decisive [not bepaald]
deskundig
expert (in, at), professional
drastisch
drastic
extreem
extreme
falen
to fail
functioneren
to function, work, operate
gevoelig
sensitive, tender, touchy, delicate, irritable
herhalen
to repeat [not repeteren]
het beleid
the policy
het contrast
the contrast
het effect
the effect [not de effectiviteit, het neveneffect, de invloed]
het feit
the fact
het initiatief
the initiative
het instituut
the institute, institution, foundation
het inzicht
the insight
het kenmerk
the characteristic, distinguishing quality; trait, attribute [not de kwalificatie, de eigenschap, de kwaliteit, de omschrijving]
het object
the object
het onderscheid
the distinction
het orgaan
the organ
het project
the project
het resultaat
the result
het schema
the diagram, schedule
het stadium
the stage, phase [not de fase, de stage, de periode]
het type
the type, model, figure
het verband
the bandage, connection, context
hooguit
at the most, at the greatest
illustreren
to illustrate
inhoudelijk
concerning content
koppelen
to link, couple (with, to)
manipuleren
to manipulate
melden
to report, mention, inform (of)
nagenoeg
nearly, almost
nauwkeurig
accurate, exact, strict, precise, punctual, correct, prompt, careful, near, particular, narrow, meticulous, painstaking, nice
objectief
objective, impartial, unbiased
onderscheiden
to distinguish
onderstrepen
to underline
opleiden
to train, educate, instruct
oplopen
to increase, run up [not verhogen, toenemen, vergroten, vermeerderen, groeien]
opnemen
to absorb, record [not vastleggen]
overig
other, remaining
overleggen
to consult, to consider, to deliberate
overschrijden
to exceed, overstep
populair
popular
promoveren
to obtain a doctorate [not poneren]
publiceren
to publish
realistisch
realistic
recent
recent
relatief
relative
relativeren
to put into perspective
relevant
relevant, pertinent
resulteren
to result
samenstellen
to compose, put together [not samenvatten, samenvoegen]
tegenvallen
to be disappointing
toepassen
to apply, use, adopt
toetsen
to test, check [not (uit)testen, beproeven, verifiëren, narekenen, controleren, nazoeken]
uitvinden
to invent
verbinden
to connect, combine
verrichten
to perform, conduct, carry out, execute, do
verschuiven
to shift, move, postpone
verwerken
to process, cope with, work up, digest
voldoen
to meet, satisfy, suffice [not volstaan]
waarschijnlijk
probable, probably, likely
aantasten
to affect, attack
achterhalen
to retrieve, overtake, detect, catch up with
afleiden
to infer, divert
afnemen
to decrease, remove, buy [not verlagen, teruglopen, verminderen, dalen]
afronden
to finish, round off
ambitieus
ambitious, aspiring
baseren
to base (on)
beëindigen
to terminate, end
bekendmaken
to announce, make public
beoordelen
to criticize, to judge, to determine, to assess [not bepalen, vaststellen, determinieren, vastleggen]
bepaald
certain, definite [not beperkt, definitief, eindig]
bepalen
to determine, stipulate [not determinieren, vaststellen, beoordelen, vastleggen]
bestrijden
to combat, fight [not kampen]
bijhouden
to keep up to date, keep up
concreet
concrete
de aanwijzing
the indication, instruction
de begeleiding
the supervision
de bron
the source
de communicatie
the communication
de context
the context
de deelname
the participation
de doelgroep
the target group
de eigenschap
the quality, property [not de kwalificatie, de kwaliteit, het kenmerk]
de groei
the growth [not de vermeerdering, de toename]
de inhoud
the content(s)
de kritiek
the criticism
de massa
the mass
de motivatie
the motivation
de periode
the period [not de fase, het stadium]
de schatting
the estimation [not de inschatting]
de stage
the internship [not het practicum]
de standaard
the standard [not het criterium, de normering]
de statistiek
the statistics
de studie
the study
de variant
the variant
de verantwoordelijkheid
the responsability
de verklaring
the explanation, statement
de vertraging
the delay
de wijziging
the change, alteration
duidelijk
clear, obvious
duurzaam
sustainable
ethisch
ethical
geldig
valid [not valide]
gemeenschappelijk
common, joint, concerted
genetisch
genetic
globaal
rough, overall [not grof, grofweg]
het apparaat
the apparatus
het artikel
the paragraph, article, section, clause, news report, item
het bewijs
the proof
het cijfer
the figure, grade
het college
the lecture, (university) class, college
het exemplaar
the copy, sample
het gevolg
the result, consequence, outcome
het individu
the individual
het maximum
the maximum
het principe
the principle, the maxim
het thema
the theme
identiek
identical
inclusief
including, containing
inschatten
to assess, estimate
interesseren
to interest
interpreteren
to interpret
kampen
to contend (with), struggle (with) [not bestrijden]
meten
to measure
moeizaam
laborious
motiveren
to motivate, motive, warrant
onbekend
unknown
onduidelijk
unclear
ontbreken
to be lacking [not ontberen]
opmerkelijk
remarkable
optimaal
optimal
praktisch
practical [not daadwerkelijk, vrijwel]
presenteren
to present, introduce
realiseren
to realize
redeneren
to reason, to argue, to discourse
regelmatig
regular(ly) [not regulier, standaard]
samenvatten
to summarize [not samenstellen, samenvoegen, samentrekken, optellen]
schetsen
to outline, sketch
stimuleren
to stimulate
systematisch
systematic
uitvallen
to drop out, fall out
uitwijzen
to show, reveal; expel, deport [not aantonen]
variëren
to vary
verbeteren
to improve
verkennen
to explore, scout(out)
verklaren
to explain, declare
verlagen
to decrease, lower [not teruglopen, afnemen, verminderen, dalen]
verwijzen
to refer, address, commit
volgens
according to [not aldus]
wetenschappelijk
scientific