Level 52 Level 54
Level 53

O4 Ftoets periode 2 2018


228 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
ἀγαθός
goed
ἀδύνατος
1. niet in staat 2. onmogelijk
αἰσχρός
schandelijk, lelijk
ἀμφότερος
beide
αὐτός
1. zelf 2. hem/haar/hun
βάρβαρος
niet-Griek
δῆλος
duidelijk
δίκαιος
rechtvaardig
δυνατός
1. in staat 2. mogelijk
ἐλεύθερος
vrij
ἕτερος
de een, de ander
ἡμέτερος
ons, onze
ἴδιος
eigen
ἱκανός
1. voldoende 2. geschikt, in staat
ἴσος
gelijk aan
κοινός
gemeenschappelijk
λοιπός
overig
οἷος
zo als, zodanig als
ὀλίγος
weinig
ὅλος
geheel, volledig
ὅμοιος
gelijk aan, gelijkend op
ὀρθός
1. rechtop 2. juist
ὅσος
zo groot als, zoveel als
πλεῖστος
1. meeste 2. zeer velen
πολέμιος
vijandig
πότερος
wie van beide?
πρῶτος
eerste
ῥᾴδιος
gemakkelijk
σοφός
1. wijs, verstandig 2. slim
τοιόσδε
zodanig, dergelijk
τοιοῦτος
zodanig, dergelijk
τοσοῦτος
1. zo groot 2. zoveel
ὑμέτερος
julllie
χαλεπός
moeilijk, lastig
χαλκοῦς
bronzen
ἀληθής
waar, werkelijk
σαφής
duidelijk
ἀμείνων
beter
βελτίων
beter
ἥσσων
minder, zwakker
κρείσσων
beter, sterker
πλέων
meer
τριάκοντα
dertig
βαρύς
zwaar
βραχύς
kort
εὐθύς
onmiddellijk
ἡδύς
aangenaam, fijn
ὀξύς
scherp, fel
ταχύς
snel
ἆρα
geeft aan dat er een vraagzin volgt
γε
1. tenminste 2. geeft nadruk
ἔνθα
1. daar 2. waar
ἔξω
buiten
ἔτι
nog
μάλιστα
meest, vooral
μᾶλλον
meer; liever dan
πάντως
geheel en al, volkomen
πάνυ
zeer
πλέον
meer
πολλάκις
vaak, dikwijls
ποτε
eens, ooit, soms
που
1. ergens 2. denk ik, misschien
πως
1. op de een of andere manier 2. enigszins
πῶς
hoe?
εἴτε...εἴτε
of ... of
1. of 2. dan
οὔτε...οὔτε
noch ... noch
ἐάν
als, indien
ἐπεί
1. toen, nadat 2. aangezien, nu
ἵνα
opdat, om te
ὅπως
opdat, om te
ὅταν
wanneer
ὅτε
toen, wanneer
πρίν
voordat
ἀρετή
1. voortreffelijkheid 2. dapperheid 3. deugd
βουλή
1. plan, besluit 2. raad, advies
γῆ
1. aarde 2. grond,land
νίκη
overwinning
οἰκία
huis
πολιτεία
1. staat, samenleving 2. staatsvorm
τιμή
eer, eerbewijs
ψυχή
1. ziel, geest, schim 2. leven
ἀδελφός
broer
ἀργύριον
zilver, geld
δῆμος
volk
θυμός
hart, gemoed
ἵππος
paard
κόσμος
1. orde, wereld 2. sieraad, tooi
κύκλος
kring, cirkel
λίθος
steen
νόμος
1. gewoonte 2. wet
νόσος
ziekte
ξένος
buitenlands, vreemd
ὁδός
weg
οὐρανός
hemel
ὀφθαλμός
oog
ποιητής
dichter
ποταμός
rivier
πρόσωπον
gezicht, masker, personage
σημεῖον
teken
τόπος
plaatsen
τρόπος
manier
ἀγών
strijd, wedstrijd
αἷμα
bloed
δαίμων
godheid
ἐλπίς
hoop, verwachting
ἡγεμών
leider, aanvoerder
νύξ
nacht
ὄνομα
naam
παῖς
1. kind 2. slaaf
πατρίς
vaderland
πούς
voet
πρᾶγμα
1. daad 2. zaak
πῦρ
vuur
στόμα
mond
σῶμα
lichaam
ὕδωρ
water
χάρις
1. charme 2. gunst, dank
χείρ
hand, arm
χρῆμα
1. zaak, ding 2. bezittingen, geld
ἀνήρ
man
βοῦς
rund, koe
γυνή
vrouw
θυγάτηρ
dochter
μήτηρ
moeder
ναῦς
schip
πᾶς
1. geheel 2. ieder 3, alle
πατήρ
vader
βασιλεύς
koning
πρέσβυς
oud
δύναμις
1. macht, vermogen 2. kracht
πρᾶξις
handeling, daad
γένος
1. geslacht, afkomst, 2. soort
ἔθνος
volk
εἶδος
1. gestalte uiterlijk 2. vorm, soort
ἔπος
woord, verhaal, uitspraak
ἔτος
jaar
μέγεθος
grootte
ὄρος
berg
ἐναντίος
1. tegenover 2. vijandig
ἕνεκα
ter wille van, wegens
παρά
GEN van de kant van DAT bij ACC 1. naar 2. langs 3. in strijd met
πρό
voor
πρός
GEN van de kant van DAT bij ACC naar toe, tot
σύν
met, in gezelschap van, met behulp van
ὑπό
GEN door DAT onder ACC onder
ἀλλήλων
elkaar
ἐκεῖνος
1 die, dat 2 hij, zij, het
μηδείς
1. niemand, niets 2. geen enkel
ὅδε
deze, dit
ὅς
die/dat, wie/wat (betr.vnw)
οὗτος
1. deze/dit, die/dat 2. hij, zij, het
ποῦ
waar?
τις
1. iemand, iets 2. een of andere 3. enkele, sommige
ἀδικέω
1. onrecht doen 2. onrechtvaardig (be)handelen
αἱρέω
nemen, innemen
ἀφαιρέω
afnemen, wegnemen
ἐάω
laten, toestaan
ἐρωτάω
vragen aan
ζάω
leven
νικάω
overwinnen
ὁράω
zien
πειράω
proberen, op de proef stellen
σκοπέω
bekijken, letten op
τελευτάω
1. beeindigen 2. sterven
τιμάω
eren
τολμάω
durven
φοβέω
vrezen, bang zijn voor
φρονέω
verstandig zijn
αἰσθάνομαι
merken, bemerken, waarnemen
ἀφικνέομαι
aankomen, bereiken
βούλομαι
willen
γίγνομαι
1. ontstaan 2. worden 3. gebeuren
δέχομαι
ontvangen, aannemen
ἕπομαι
volgen, meegaan met
ἐργάζομαισμαι
1. werken, doen, verrichten 2. bewerken, maken
ἔρχομαι
gaan, komen
ἡγέομαι
1. leiden 2. menen 3. beschouwen als
κεῖμαι
liggen
μάχομαι
strijden, vechten
οἴομαι
denken, menen
πυνθάνομαι
1. ondervragen 2. vernemen
δεῖ
het is nodig dat, men moet
δύναμαι
kunnen
χρή
het is nodig, het moet
εἶδον
ik zag
εἶπον
ik zei, ik sprak
πάρειμι
aanwezig zijn
ἀποδίδωμι
teruggeven
ἀφίημι
1. laten gaan, wegsturen 2. vrijlaten, toestaan
δείκνυμι
tonen, aanwijzen
δίδωμι
geven
εἶμι
gaan, zullen gaan
ἵημι
zenden, laten gaan
ἵστημι
plaatsen
καθίστημι
1. in een toestand brengen 2. aanstellen, instellen
μίγνυμι
mengen
προστίθημι
toevoegen
τίθημι
1. plaatsen, neerzetten, leggen 2. maken tot
φημί
zeggen
κατασκευάζω
voorbereiden, gereedmaken, uitrusten
κομίζω
1. brengen, halen, meenemen 2. verzorgen
ὀνομάζω
noemen
παρασκευάζω
klaarmaken, gereedmaken
πράσσω
handelen, doen
τρέπω
wenden, keren
τρέφω
1. voeden 2. opvoeden
ἀποκρίνω
antwoorden
βάλλω
gooien
διαφέρωδιενήνεγμα
verschillen
διαφθείρω
te gronde richten, vernietigen
ἐλαύνω
1. rijden 2. drijven
κρίνω
beoordelen, oordelen
πίνω
drinken
τέμνω
snijden
ὑπολαμβάνωηφα
antwoorden
φαίνω
1. ACT tonen, laten zien 2. MED verschijnen,blijken
ἀποθνῄσκω
sterven
ἄρχω
1. heersen over 2. beginnen met
γιγνώσκω
1. leren kennen 2. inzien, begrijpen
διδάσκω
leren, onderwijzen
διώκω
achtervolgen
δοκέω
1. schijnen, 2. menen, denken
μιμνήσκω
zich herinneren
πάσχω
1. lijden, te verduren hebben 2. ondervinden, ervaren
βουλεύω
1. beramen, beraadslagen 2. besluiten
θύω
offeren
πορεύω
gaan, reizen