Level 51 Level 53
Level 52

O4 Ftoets dec 2017


182 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
goed
εὖ
misschien, waarschijnlijk
ἴσως
erg, zeer
μάλα
meest, vooral
μάλιστα
meer; liever dan
μᾶλλον
alleen maar, slechts
μόνον
toch
ὅμως
niet
οὐ
zo, op die manier
οὕτως
geheel en al, volkomen
πάντως
hoe?
πῶς
maar
ἀλλά
want
γάρ
1. en 2. maar
δέ
als, indien
εἰ
of ... of
εἴτε...εἴτε
1. of 2. dan
1. en 2. ook 3. zelfs
καί
enerzijds ... anderzijds
μέν...δέ
niet
μή
1. dat 2. omdat
ὅτι
en niet, maar niet, ook niet
οὐδέ
en
τε
zo, als volgt
ὡς
zoals
ὥσπερ
1. zodat 2. zodoende, dus
ὥστε
rondom
ἀμφί
in plaats van
ἀντί
vanaf
ἀπό
naar, naar binnen, tot
εἰς
uit
ἐκ
in, op, bij
ἐν
1. daar 2. waar
ἔνθα
1. daar 2. toen
ἐνταῦθα
buiten
ἔξω
op,aan, bij, naar
ἐπί
1. weer, opnieuw 2. terug
πάλιν
GEN van de kant van DAT bij ACC 1. naar 2. langs 3. in strijd met
παρά
GEN om, over ACC rondom 2. met betrekking tot
περί
GEN van de kant van DAT bij ACC naar toe, tot
πρός
GEN door DAT onder ACC onder
ὑπό
1. onrecht doen 2. onrechtvaardig (be)handelen
ἀδικέω
het is nodig dat, men moet
δεῖ
het is nodig, het moet
χρή
ontvangen, aannemen
δέχομαι
wonen, bewonen
οἰκέω
baren, ter wereld brengen
τίκτω
macht hebben over, overwinnen
κρατέω
varen
πλέω
gebruiken
χράομαι
helpen, te hulp komen
βοηθέω
1. brengen, halen, meenemen 2. verzorgen
κομίζω
het is nuttig, het is voordelig
συμφέρω
redden
σῴζω
1. ontstaan 2. worden 3. gebeuren
γίγνομαι
zijn
εἰμί
1. treffen 2. krijgen 3. toevallig ....
τυγχάνω
laten, toestaan
ἐάω
bevelen, vragen om
κελεύω
beoordelen, oordelen
κρίνω
sterven
ἀποθνῄσκω
1. te gronde richten 2. verliezen
ἀπόλλυμι
sterven
θνῄσκω
1. lijden, te verduren hebben 2. ondervinden, ervaren
πάσχω
1. voeden 2. opvoeden
τρέφω
meer
πλέον
brengen, leiden
ἄγω
optillen
αἴρω
aankomen, bereiken
ἀφικνέομαι
gaan
βαίνω
gooien
βάλλω
achtervolgen
διώκω
gaan, zullen gaan
εἶμι
1. rijden 2. drijven
ἐλαύνω
volgen, meegaan met
ἕπομαι
gaan, komen
ἔρχομαι
komen, gekomen zijn
ἥκω
verlaten
λείπω
1. blijven 2. wachten
μένω
doen stoppen, ophouden
παύω
sturen, zenden
πέμπω
vluchten
φεύγω
geeft aan dat er een vraagzin volgt
ἆρα
1. tenminste 2. geeft nadruk
γε
dan, dus
δή
1. dan, nu 2. dus
οὖν
1. ergens 2. denk ik, misschien
που
zonder
ἄνευ
door, wegens, doorheen
διά
ter wille van, wegens
ἕνεκα
1. met GEN 2. na ACC
μετά
behalve
πλήν
met, in gezelschap van, met behulp van
σύν
elkaar
ἀλλήλων
zichzelf
ἑαυτοῦ
ik, wij
ἐγώ
ieder, elke
ἕκαστος
1 die, dat 2 hij, zij, het
ἐκεῖνος
1. niemand, niets 2. geen enkel
μηδείς
deze, dit
ὅδε
1. niemand, niets 2. geen enkel
οὐδείς
1. deze/dit, die/dat 2. hij, zij, het
οὗτος
waar?
ποῦ
jij,u
σύ
1. iemand, iets 2. een of andere 3. enkele, sommige
τις
1. wie, wat? 2. welke?
τίς
de, het
offeren
θύω
vinden, ontdekken
εὑρίσκω
zoeken
ζητέω
1. ACT tonen, laten zien 2. MED verschijnen,blijken
φαίνω
nemen, innemen
αἱρέω
teruggeven
ἀποδίδωμι
afnemen, wegnemen
ἀφαιρέω
1. hebben 2. houden
ἔχω
nemen, vastpakken
λαμβάνω
verschaffen, geven
παρέχω
toevoegen
προστίθημι
merken, bemerken, waarnemen
αἰσθάνομαι
1. leren kennen 2. inzien, begrijpen
γιγνώσκω
1. schijnen, 2. menen, denken
δοκέω
1. leiden 2. menen 3. beschouwen als
ἡγέομαι
1. leren kennen 2. vernemen, begrijpen
μανθάνω
zich herinneren
μιμνήσκω
1. menen 2. beschouwen als
νομίζω
denken, menen
οἴομαι
1. ondervragen 2. vernemen
πυνθάνομαι
antwoorden
ὑπολαμβάνωηφα
verstandig zijn
φρονέω
horen, luisteren
ἀκούω
kijken
βλέπω
willen
βούλομαι
willen
ἐθέλω
ik zag
εἶδον
bewonderen, zich verwonderen
θαυμάζω
op het punt staan om, van plan zijn, zullen
μέλλω
zien
ὁράω
drinken
πίνω
vertrouwen
πιστεύω
bekijken, letten op
σκοπέω
vrezen, bang zijn voor
φοβέω
blij zijn, zich verheugen
χαίρω
altijd
ἀεί
tegelijk
ἅμα
1. heersen over 2. beginnen met
ἄρχω
meteen, inmiddellijk
αὐτίκα
1. toen, nadat 2. aangezien, nu
ἐπεί
daarna,vervolgens
ἔπειτα
nog
ἔτι
al, reeds
ἤδη
nu
νῦν
toen, wanneer
ὅτε
niet meer
οὐκέτι
vaak, dikwijls
πολλάκις
eens, ooit, soms
ποτε
voordat
πρίν
voor
πρό
toen, dan
τότε
doden
ἀποκτείνω
1. beramen, beraadslagen 2. besluiten
βουλεύω
te gronde richten, vernietigen
διαφθείρω
verhinderen, beletten
κωλύω
losmaken
λύω
vallen
πίπτω
oorlog voeren
πολεμέω
bewaken
φυλάσσω
verschillen
διαφέρω
kunnen
δύναμαι
liggen
κεῖμαι
klaarmaken, gereedmaken
παρασκευάζω
proberen, op de proef stellen
πειράω
1. doen 2. maken
ποιέω
1. dragen 2. brengen
φέρω
berichten, melden
ἀγγέλλω
vragen, iemand vragen om
αἰτέω
antwoorden
ἀποκρίνω
ik zei, ik sprak
εἶπον
vragen aan
ἐρωτάω
1. roepen 2. noemen
καλέω
zeggen
λέγω
overtuigen, overreden
πείθω
zeggen
φημί