Level 6
Level 7

verba


85 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
koning zijn, heersen
regno, regnare
1 zijn, bestaan 2 toebehoren aan
sum, esse, fui, futurus
1 verzamelen 2 kiezen 3 lezen
lego, legere, legi, lectum
1 kunnen 2 invloed hebben, gelden
possum, posse, potui
toevoegen
addo, dere, didi, ditum
menen
reor, reri, ratus sum
eten
edo, edere, edi, esum
bevelen
iubeo, iubere, iussi, iussum
geven
do, dare, dedi, datum
zenden, laten gaan
mitto, mittere, misi, missum
1 uitgieten 2 verdrijven 3 verspillen
ef-fundo, fundere, fudi, fusum
1 dragen, brengen, halen 2 verdragen
fero, ferre, tuli, latum
roepen, noemen
voco, vocare
uiteenzetten
expono, ponere, posui, positum
houden, vasthouden, bezitten
teneo, tenere, tenui
gaan naar, zich wenden tot
adeo, ire, ii, itum
naar buiten voeren
educo, educere, eduxi, eductum
verwekken, voortbrengen, baren
gigno, gignere, genui, genitum
maken, doen
facio, facere, feci, factum
roven
rapio, rapere, rapui, raptum
aanspreken, noemen
appello, pellare
1 instellen 2 beginnen 3 onderwijzen
instituo, stituere, stitui, stitutum
overgeven, uitleveren, prijsgeven
dedo, dere, didi, ditum
nemen, grijpen
capio, capere, cepi, captum
1 overgeven 2 overleveren
trado, tradere, tradidi, traditum
1 worden 2 gemaakt worden 3 gebeuren
fio, fieri, factus sum
doen, handelen, onderhandelen
ago, agere, egi, actum
weten, kennen
scio, scire, scivi, scitum
1 opheffen 2 aanheffen 3 wegnemen
tollo, tollere, sustuli, sublatum
komen
venio, venire, veni, ventum
1 openen 2 openbaren
aperio, aperire, aperui, apertum
niet willen
nolo, nolle, nolui
1 hebben, houden 2 geloven, menen, beschouwen als
habeo, habere, habui, habitum
horen, vernemen
audio, audire, audivi, auditum
1 vergelijken 2 voorbereiden 3 verwerven
comparo, parare
bereiken
pervenio, venire, veni, ventum
zien
video, videre, vidi, visum
1 opbergen, verbergen 2 stichten
condo, dere, didi, ditum
naderen, erbij komen
accedo, cedere, cessi, cessum
berichten, berichten
nuntio, nuntiare
draaien, wenden
verto, vertere, verti, versum
vallen
cado, cadere, cecidi, casurus
willen
volo, velle, volui
zoeken, vragen
quaero, quaerere, quaesivi, quaesitum
1 naar beneden brengen 2 overbrengen (naar)
deduco, ducere, duxi, ductum
verlaten, achterlaten
relinquo, linquere, liqui, lictum
1 teruggeven 2 maken tot + dubb. acc.
reddo, dere, didi, ditum
verhinderen, verbieden
prohibeo, hibere, hibui, hibitum
1 geloven (+ dat.) 2 toevertrouwen
credo, credere, credidi, creditum
bekijken, beschouwen
intueor tueri, tuitus sum
zegt hij, zei hij
inquit
1 ontvangen 2 vernemen, begrijpen
accipio, cipere, cepi, ceptum
vermeerderen, vergroten
augeo, augere, auxi, auctum
zingen, (een instrument) spelen
cano, canere, cecini
1 zeggen, spreken 2 noemen
dico, dicere, dixi, dictum
beweert hij, zegt hij, beweerde hij, zei hij
ait
bewaren, redden
servo, servare
bidden, smeken
precor, precari
zich verzetten tegen, weerstaan
resisto, sistere, stiti
aansteken, aanvuren
accendo, cendere, cendi, censum
1 dragen, voeren 2 verrichten, doen
gero, gerere, gessi, gestum
teruggaan, terugkeren
redeo, ire, ii, itum
staan
sto, stare, steti, staturus
geboren worden, ontstaan
nascor, nasci, natus sum
weggaan
abeo, ire, ii, itum
1 spreken, praten 2 zeggen
loquor, loqui, locutus sum
ontstaan, afstammen, opgaan
orior, oriri, ortus sum
1 leiden, brengen 2 geloven, menen, beschouwen als
duco, ducere, duxi, ductum
schijnen
videor, videri, visus sum
ontbieden, laten komen
arcesso, arcessere, arcessivi, arcessitum
omlaag zenden, laten zakken
demitto, mittere, misi, missum
ik begon, ik ben begonnen
coepi, coepisse pf
1 plaatsen 2 vaststellen, besluiten
statuo, statuere, statui, statutum
antwoorden
respondeo, spondere, spondi, sponsum
glijden
labor, labi, lapsus sum
bevelen, beheersen
impero, imperare
1 melden, berichten 2 aanklagen
defero, ferre, tuli, latum
1 uitdragen, voortbrengen 2 verheffen
effero, efferre, extuli, elatum
inwijden
initio
in verwarring brengen
perturbo, turbare
1 binnendragen 2 aandoen
infero, inferre, intuli, illatum
1 spreken 2 verzoeken, bidden
oro, orare
dulden, lijden
patior, pati, passus sum
1 wegzenden 2 opgeven
dimitto, mittere, misi, dimissum
ontkennen, zeggen dat niet, weigeren
nego, negare